Vloersysteem
Voorwaarden tot een verantwoorde installatie:
Het eindproduct zoals u dat voor ogen staat begint met een goede ondervloer. Een belangrijk onderscheid bij de installatie van een parketvloer is een vaste vloer of een zwevend geplaatste vloer.
Zwevende installatie
Het parket ligt los (zwevend) op een tussenvloer van foamplaten/ vezelplaten en een laag PE-folie op de constructievloer. De vloerdelen of lamellen worden onderling in mes en groef verlijmd of zijdelings aan elkaar geclickt. Door gebruikmaking van het juiste type tussenvloer wordt voldaan aan de geldende eisen voor contactgeluidsisolatie (Nen 5077/ ISO 717-2) bij appartementen.
Types van zwevend parket: planken, lamel en laminaat.
Voordelen: snel te installeren/ afwerking af fabriek/ geschikt voor appartementen/ prijs.
Nadelen: loopgeluiden/ beperkte vloeroverspanning/ beperkte patroonmogelijkheden/ veel ranafwerking/ overal dient de vloer te kunnen werken! Dit maakt het gebruik van strips en dilataties noodzakelijk.
Vaste installatie
Onder een vaste installatie verstaan wij parketvloeren welke rechtsreeks (al dan niet met tussenvloer) op de cementdekvloer worden verlijmd. Het parket wordt vol verlijmd op de ondervloer of er wordt eerst een houten tussenvloer geplakt op de dekvloer waarop het parket dan wordt verlijmd en genageld. Gebruik van tussenvloer is bij tapis en bourgogne parket noodzakelijk. Het loopgeluid op deze vloeren is aanzienlijk minder dan bij zwevende vloeren. Bovendien ligt de vloer vast en veert dus niet. Zeer geschikt voor grote ruimtes.
Types van vast parket: profistab, mozaïek, tapis, duo-plank, bourgogne, kopshout, planquetten.
Voordelen: grote overspanningen zonder dilatatie mogelijk (bouwkundige dilataties dienen wel gevolgd te worden)/ strakke aansluitingen mogelijk/ gering loopgeluid/ ruime patroon mogelijkheden.
Nadelen: strengere eisen aan ondervloer ten aanzien van vormvastheid, hechting en isolatie/ contactgeluid.
Eisen aan de ondervloer:
Cementdekvloer dient blijvend droog, vormvast, vlak/egaal, schoon, leeg en plakklaar aan ons ter beschikking te worden gesteld.
Droog: verstaan wij onder maximaal 2 % restvocht in een cementdekvloer en maximaal 0,5 % bij een anhydrietvloer.
Vormvast: goede kwaliteit D30 en zonder scheuren.
Vlakheid: maximaal verloop van 2 mm onder een rei van 2 meter (n.b.: vlak is niet gelijk aan waterpas, zo kan een helling probleemloos van parket worden voorzien).
Kruipruimtes dienen blijvend geventileerd te zijn en de ondervloer dient voldoende te zijn geïsoleerd tegen optrekkend vocht.
In de cementdekvloer mogen geen leidingen lopen waardoor de vloertemperatuur hoger wordt dan 27 graden Celsius.
Overige eisen:
De te beleggen ruimte dient glasdicht te zijn. Verder dient er een blijvende temperatuur tussen de 18 en 24 graden Celsius evenals een Relatieve Luchtvochtigheid tussen de 40 en 60 % te zijn; dit in verband met de natuurlijke werking van hout. De gebruiker dient hierop toe te zien.
Bovendien gaan wij er vanuit dat de ruimte bij aanvang en tijdens installatie leeg is.
Aanbevolen documentatie:
“gids voor afwerkvloeren – hout” door SBR (stichting bouw research)
“Houtvademecum”
“WTCB”
“Fachbuch für Parkettleger und Bodenleger”